Schoolonderzoek

Mijn leraar Duits kijkt uit naar zijn pensioen. Ik geef halfslachtig antwoord op zijn vragen. De boe-ken van de lijst hebben mij maar weinig kunnen boeien. Hij wil een onvoldoende in zijn notitie-boekje schrijven, maar aarzelt.
“Kun je een Duits liedje zingen?” vraagt hij.
Ik denk aan de onlangs gekochte LP van Stefan Sulke. Zachtjes begin ik voor mij uit te zingen: “Mein Vati, der war ein Kapitän. Ein Seemann war’s und konnte mich verstehen. Stimmt gar nicht, dass er alle Tage sich betrank und eines Abends so vom Kai fiel und ertrank. Die Nordsee, die singt manchmal ihre Lieder. Und einmal kommt mein Vati sicher wieder…
De leraar glimlacht, maakt een notitie en zegt dat ik kan gaan.

Downton Abbey NL

We bezichtigen het grote herenhuis dat de dochter van mijn liefs oudste zus en haar man onlangs hebben gekocht. Het pand stamt uit 1904. Het wordt gestript en verbouwd en krijgt een moderne, luxueuze inrichting.
De grote keuken in het souterrain was het werkdomein van het huishoudelijk personeel en in de nok van het huis herken je nog de minuscule slaapkamers van de dienstmeiden. De minnares van een joodse advocaat heeft er ook gewoond. Het koosjer bereide eten werd via een kleine lift naar de eetkamer getransporteerd.
Konden de muren spreken vertelden zij hoe er geleefd werd, gewerkt, geslapen, gevreeën, gebeden, gevierd, gerouwd, gelachen, gezongen, gehuild, getierd, gewanhoopt en gezwegen.
Zoals in elk huis. Maar dan meer.

Diva

Vandaag was de uitvaart van M. Mijn schoonmoeder, met wie ze bevriend was, stoorde zich vaak aan haar. In het bestuur van de vrouwenbond zette ze zaken naar haar hand. In het gezelschap van meneer pastoor eiste ze alle aandacht op. Bij het kaarten speelde ze vals. En ’s zondags naar de kerk droeg ze een bekakte hoed.
Vanochtend, in zijn preek, typeerde onze oud-pastoor haar als ad rem en gevat. Kort voor zijn vertrek had ze hem zover gekregen in de carnavalsoptocht mee te lopen, enkel gekleed in een kartonnen doos. Op de achterzijde stond geschreven: alles is al ingepakt.
Wellicht heeft ze hem toen gevraagd nog éénmaal terug te keren. Ter meerdere eer en glorie van haarzelf.

Geleende tijd (2)

Mijn lief is blij. Haar broer belde daarnet om te zeggen dat het eigenlijk best meevalt met zijn gezondheid. Vocht was de oorzaak van zijn recente problemen. Geen nieuwe tumor. Een crisis is afgewend. We hoeven weer even niet te denken aan het onvermijdelijke. En wat dat allemaal met zich mee zal brengen.
Zo zal de uitvaart een ongewenste familiereünie tot gevolg hebben. Een weerzien met de zussen die mijn lief het liefst nooit meer wil zien. De zussen met wie zij sinds de dood van haar moeder gebrouilleerd is. Ook de bitch die haar bij de afhandeling van de erfenis van verduistering betichtte.
Voor dit moment is mijn lief zielsblij. Haar innig geliefde broer leeft nog.

Nog niet

Mijn schoonmoeder was mij dierbaarder dan mijn eigen moeder. Iedereen was altijd welkom bij haar, omdat ze hield van leven in de brouwerij. Ze vertelde je alle nieuwtjes, ook die die zij geacht werd voor zich te houden.
De keuken was haar onbetwiste domein. Daar werd gekletst, geroddeld, gelachen, gehuild, getelefoneerd, eindeloze kaartspelletjes gespeeld, nieuwe kleren getoond, vakanties besproken, romances, zwangerschappen, trouwerijen, ruzies, echtscheidingen. En dat alles altijd bij een kop koffie met iets lekkers erbij.
Ik zou het heerlijk vinden herinneringen op te halen en plezier te beleven aan het vertellen van de talloze anekdotes met mijn schoonmoeder in de hoofdrol. Maar dat kan nog niet. Het is nog te kort geleden. De aarde is nog vochtig.

Sneeuw

“Toen ik zondagochtend wakker werd en naar buiten keek,” begint mijn vriend zijn verhaal, “zag ik dat het gesneeuwd had. Ik stond gauw op, haalde op de badkamer snel een washandje door mijn gezicht, kleedde mij vlug aan en liep gehaast naar beneden. Daar trok ik mijn schoenen aan, greep mijn jas in de hal en liep via de achterdeur de tuin in.”
Omdat ik benieuwd ben waar zijn verhaal naar toe gaat, luister ik stilzwijgend toe.
“Toen ging het slaapkamerraam open en riep Ellie: “Wat doe je?”
Ik keek omhoog, riep terug: “Het heeft gesneeuwd!” en dacht: Jeetje, wat is er godallemachtig veel wat zij nog niet van mij weet. Martha wist dat ik dol ben op sneeuw.”

Geleende tijd

De familie van mijn lief maakt zich op voor het afscheid van een geliefd familielid. Ziek is hij al jaren, de broer van mijn lief. Soms wat minder, meestal wat meer. Ze hebben elkaar lang voor de gek gehouden en gedacht dat hij nog beter zou worden. Of nog enkele jaren bij hen zou zijn. Niemand dacht: Met Kerstmis is hij er niet meer.
Maar vandaag is de familie met de neus op de feiten gedrukt. Vandaag heeft zijn lief laten weten dat hij de laatste weken hard achteruit is gegaan. Dat de kwaliteit van leven met de week minder wordt.
Mijn lief is erg verknocht aan haar broer. Een deel van mijn lief zal met hem sterven.

Monofunctioneel

Karel is een beschaafd en geletterd man. Zelfs wanneer hij teveel gedronken heeft.
“Mijn soldaat,” vertelt hij op sombere toon, “disfunctioneert.”
Niet-begrijpend kijk ik hem aan.
“Voorheen hoefde ik maar te kikken of hij sprong in de houding, greep zijn geweer, spande de haan, krulde zijn vinger om de trekker en legde aan, gereed om te vuren op mijn bevel. Schietgraag zoals het een goed soldaat betaamt.
Maar die tijd is voorbij. In de houding springen gaat niet meer zo gemakkelijk, laat staan de trekker overhalen. Alleen plassen doet ie nog goed.”
Hij zwijgt.
“Ach” zegt hij dan, “ik ben vast niet de eerste homo erectus defectdus. Bovendien… kanker is erger. Van slap geleuter ga je niet dood.”

Verkassen

In de aanloop naar zijn pensioen werd de broer van mijn lief ernstig ziek. Ook daarna kreeg hij nog diverse andere nare ziektes. Maar inmiddels lijkt hij helemaal hersteld, al heeft één en ander een zware tol van hem geëist.
De broer van mijn lief en zijn vrouw besloten kleiner te gaan wonen. Ze hebben hun huis verruild voor een splinternieuw appartement op stand. Vrijwel alle oude meubels zijn vervangen. Ze hebben heel wat tijd gestoken in de inrichting. Het resultaat mag er wezen.
Als ik hem vraag of het moeilijk was om samen keuzes te maken, schudt hij van nee.
“Ik heb Maud meestal haar gang laten gaan,” zegt hij. “Tenslotte zal zij hier langer wonen dan ik.”

Publiekswissel

Op het verjaarsfeestje zijn alle gasten – buiten mijn lief en ik – van ná Hein. Vijf jaar geleden overleed hij en sindsdien staat Gerda er alleen voor. Ze is niet gestopt met het vieren van haar verjaardag, maar vandaag is er niemand meer bij uit Hein zijn tijd.
Een deel van het publiek bestond kennelijk uit vrienden van hem voor wie Gerda in haar eentje niet de moeite waard was. Andere lieden hebben – zo weet ik van mijn lief – van Gerda hun congé gekregen, omdat zij HEN na Hein niet meer de moeite waard vond.
In plaats van te treuren en kniezen heeft ze nieuwe vrienden gemaakt. Om haar verjaardag en het leven mee te vieren. Hiep hiep hoera!

Foto pa

Op de laatste foto van mijn vader zag hij er uit alsof hij binnen een half jaar zou overlijden. Dat doet hij dan ook.
Enkele maanden na zijn dood vind ik in mijn fotoarchief een mooie kiek van hem. Hij lacht daarop en heeft nog volop zin in het leven. Ik laat de foto afdrukken en inlijsten en doe hem mijn moeder cadeau.
Mijn moeder is 88, dement en dientengevolge – zo wordt beweerd – een beetje krengerig. Maar dat is niet waar. Dat was ze van tevoren ook al.
Een week later bericht broer 2 dat hij opdracht heeft gekregen de foto te vervangen, want pa heeft er zulke grote tanden op. Of ik dat erg vind.
<Zucht>
Kreng!

Een slechte tijding

Drie weken voordat ze zal sterven aan de gevolgen ervan, krijgt mijn schoonmoeder een herseninfarct. Haar buren bellen de ambulance. En daarna ons.
In het ziekenhuis zien we meteen dat het hartstikke mis is. Ze is niet meer aanspreekbaar. Mijn lief vraagt mij de familie te bellen. Haar broer en drie van haar zussen reageren zoals verwacht: Ik kom eraan. De vierde zus houdt de boot af.
“Is het echt zo ernstig? Moet ik daar nou echt op stel en sprong voor komen? Kan dat niet wachten tot morgen? Het komt nu niet zo goed uit. Ik zal er even over nadenken.”
“Natuurlijk,” zeg ik. En denk bij mezelf: Zak in de stront, vuil kolere secreet!

Van de doden en jubilarissen niets dan goeds

De collega’s op het werk vragen wanneer ik mijn jubileum vier. Ik antwoord iets vaags, want ik heb er geen zin in. Het is niet mijn eerste jubileum, dus ik weet hoe dit soort feestjes verlopen.
In de vorm van een speech, een liedje of godbetert een toneelstukje worden de minst geslaagde karaktereigenschappen en de meest memorabele blunders van de geachte jubilaris nog eens losjes onder het voetlicht gebracht.
Onder het mom van een grap en een grol wordt het feestvarken geestdriftig en zonder enige terughoudendheid voor lul gezet. Iets terug doen kan hij niet, het is een gezellig feestje. Dat wordt lachen.
Laat maar.
Maar onderuit kom ik er natuurlijk niet. 

Jaloers

Al vanaf dag één heeft mijn moeder een bloedhekel aan mijn lief. Veertig jaar geleden vreeën mijn lief en ik voor het eerst met elkaar. Op mijn slaapkamer, op mijn bed. Achttien waren wij en ik ontmaagde die dag het meisje op wie ik verliefd was.
Mijn moeder vond de volgende dag de bloedvlek die ons in de intieme euforie was ontgaan. Dat mijn lief en ik de liefde hadden bedreven keurde zij ten zeerste af. Ik vond het buitengewoon gênant dat ze de bloedvlek had gevonden. Maar nog gênanter dat ze er doelbewust naar op zoek was gegaan.
Mijn lief had mij verleid, was mijn moeders stellige overtuiging. Haar zoon  deed zoiets niet uit zichzelf. Yeah right.

ABBA

Of mijn broertje in de jaren zeventig al wist dat hij van de herenliefde was, weet ik niet meer. Wel dat hij gek was op ABBA. Van de vijf kinderen woonden alleen hij en ik nog thuis, dus ik raakte ook besmet met de Zweedse vrolijkheid. Elke nieuwe LP vond zijn weg naar de platenspeler van mijn broer op de zolder en werd dag in dag uit gedraaid. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Of Agnetha zong of Annefrida, deed er niet toe.
Sinds vorige week heb ik een nieuwe collega. Een jonge gast, met wie ik het kantoor en de radio met ouwe gouwen deel. Hij zei gisteren dat hij niet van ABBA hield. Jammer dan.

Vals

Frits, de oom van collega Trees, is overleden. Hij was oud, ziek en had niemand buiten Trees. Daarom heeft zij alles geërfd. Inclusief Rakker, de hond van Frits.
Maar Frits was heel slecht ter been en niet in staat Rakker uit te laten. Daarom droeg Rakker altijd een luier, was hij boos op de hele wereld en agressief naar iedereen behalve Frits.
De buren vonden Frits en waarschuwden Trees. Toen zij hardop overwoog de oude, valse hond te laten inslapen boden de buren aan voor hem te zorgen. Rakker verhuisde en Trees hield haar hart vast, want de buren hebben vier kleine kinderen.
Maar inmiddels is Rakker herboren en vechten de kinderen om wie hem mag uitlaten. Mooi hè.

Koppelen

Nooit eerder heb ik overwogen  twee mensen aan elkaar te koppelen. Maar A. – een nicht van mijn lief – sukkelt sinds haar echtscheiding met relaties die maar niet willen beklijven.
Zij is een sterke persoonlijkheid, intelligent, zelfbewust, onafhankelijk, zelfverzekerd, heeft humor en is lief en warm. En alleen.
Collega H. beschikt over dezelfde kwaliteiten. En wordt binnenkort weer single. Ook hij sukkelt met niet beklijvende relaties. Zijn huidige vriendin woont in Groningen en heeft daar een prima baan die ze voor geen goud wil opgeven. H. woont in Maastricht en ook hij de zijne niet. Dus dat biedt mogelijkheden voor een match made in heaven.
Ik heb A. daarnet even gebeld. Ze rolde over de vloer van het lachen.

Lood om oud ijzer

Na het zien van een televisiereportage over cremeren – zo’n dertig jaar geleden – legde mijn vader op papier vast dat hij dat wilde, na zijn dood. Toen hij stierf was het dan ook duidelijk wat er geregeld moest worden. Zo leek het. Maar broer 1 was het er niet mee eens. Pa was een goede katholiek geweest en een goede katholiek wordt begraven, niet gecremeerd.
Hij bracht het overtuigend en omdat het mij niet uitmaakte, wilde ik hem best zijn zin geven.  Broer 3 en zuslief deelden mijn opvatting. Broer 2 zette echter de hakken in het zand. Dus is pa gecremeerd en wil broer 1 definitief niets meer met de rest te maken hebben.

Miskend

In augustus 2016 verhuisden mijn ouders naar een zorghuis en verlieten het huis dat zij in augustus 1960 hadden betrokken. Afgesproken was dat ik de overgebleven inboedel zou laten afvoeren. Enkele dagen later legde ik een prijsopgave ter goedkeuring voor aan de andere kinderen.
De oudste broer – kunstenaar en huisman, met een vrouw die de kost won – deed een tegenvoorstel: Hij zou zelf alle spullen afvoeren, voor de helft van de prijs. Zijn aanbod werd neergesabeld: Geld verdienen aan je ouders was niet koosjer. Boos verweet hij ons hem de bijverdienste niet te gunnen. Hij wilde niets meer met ons te maken hebben.
Mijn jongste broer en ik haalden daarop het huis leeg. Voor nop, uiteraard.

 

Verzuim

De dood van mijn vader deed mij niet bijster veel. Misschien wel niets. Van het vaderschap bakte hij niet veel. Hij leerde mij een fietsband plakken, een plank zagen en een schuifmaat aflezen. Niet meer en niet minder.
In zijn vrije tijd was hij veel van huis, want actief in het verenigingsleven. Hij is niet één keer naar een voetbalwedstrijd van mij komen kijken. En bij terugkeer van een scoutingkamp moest ik de plunjezak in mijn eentje naar huis zeulen.
Op zijn laatste dag zat mijn zwager aan mijn vaders sterfbed. Toen ik mijn hoofd om de deur stak stond deze onmiddellijk op en bood mij zijn plaats aan. Ik schudde van nee en bedankte hem vriendelijk.

Onbegrepen

Het meisje uit mijn klas is pas verhuisd. We fietsen naar haar oude huis, dat inmiddels is gesloopt. De kelder is nog intact. Er ligt een matras op de grond met schoon beddengoed. Het meisje kijkt mij verwachtingsvol aan. Ik begrijp haar niet en loop de kelder weer uit. Het tongzoenen dat ze mij de week tevoren ongevraagd leerde krijgt geen vervolg. Geen van ons beiden verliest die dag zijn maagdelijkheid.
Kort daarna krijgt ze verkering met een andere jongen. Die begrijpt wel wat zij van hem wilt. Die is geiler van begrip. Had ze nou haar bloesje losgeknoopt. Of haar hand langzaam over mijn kruis laten glijden. Dan had ik het waarschijnlijk wel begrepen. Denk ik. 

Goelag

Ze maken mijn lief kapot. Op haar werk. Stukje voor stukje, beetje bij beetje. Uitsluitend knoe-perharde zielen en verkilde harten overleven daar. En daar is het er vergeven van. Vluchten is geen optie. We hebben het geld nodig.
“Heeft u stress, mevrouw?” vraagt haar fysiotherapeut, en knijpt. “Uw nekspieren zijn enorm gespannen.”
Een traan rolt over haar wang. Er huizen honderdduizendmiljoen tranen in mijn lief. De fysiothe-rapeut zal denken dat hij die ene op zijn geweten heeft. Zodra ook die andere tranen zich een weg naar buiten banen, is het breekpunt bereikt. Dat moment probeert mijn lief zo lang mogelijk uit te stellen. Tot dan doet ze net alsof er niets aan de hand is.

Schweinerei

Op de HAVO heb ik een vrijetijdsbaantje als pompbediende op een tankstation. Ik verdien vijf gulden per uur, zwart. De klanten zijn – zo dicht bij de grens – vooral Duits, omdat de sigaretten en de dieselolie bij ons minder kosten.
Zeventien ben ik als op een herfstige zondagmiddag een morsig Duits mannetje met de handen in de zakken naast mij staat terwijl ik de olie peil van zijn oude Mercedes diesel. Als ik de stok er niet in één beweging weer in krijg, zegt hij droog: “Wären da Haare drauf, ging das viel besser, nicht?
Ik glimlach schaapachtig, terwijl het vieze mannetje vet grijnst. Hij geeft niets extra’s bij het afrekenen. Hij zal menen dat de vunzigheid zijn fooi was.

Stress

De wasdroger is stuk. Een monteur repareert hem en vertrekt. Een uur later is het ding weer stuk. Ik bel en vraag of de monteur morgen terug komt. Zijn agenda zit vol. Dat wordt volgende week.
“Okee,” zeg ik.
Mijn lief is woest. Ik wijs haar voorzichtig op het bestaan van een droogrek. Ik ben best bereid dat ding uit de fietsenschuur te halen en in de achterkamer op te zetten. Ik ben de beroerdste niet. En wasknijpers hebben we ook nog wel ergens.
Mijn lief explodeert. Ik zoek een goed heenkomen. Ik doe nooit de was. Ik ben enkel een eindgebruiker die de omvang van deze catastrofe niet bevat. Dat is de autist in mij, denk ik.

Adel

Vandaag heb ik eindelijk de vriend van mijn lief ontmoet. Ik begrijp nu wat ze in hem ziet. Sterker nog: Ik ben zelf ook een klein beetje verliefd geworden.
Hij woont in een groot, vrijstaand huis, omringd door een goed onderhouden gazon. Vanochtend liepen wij daar toevallig langs. Drie grote honden lagen te doezelen op het gras. Mijn lief riep één van hen naar zich toe. Een slanke, elegante Russische Barzoi rende in soepele draf naar het tuinhek, duwde stilzwijgend zijn lange, smalle kop tussen de spijlen door en vlijde zich innig tevreden tegen de hand van mijn lief.
De twee andere honden keken elkaar verbaasd aan. What the fuck? We zouden toch lelijk doen tegen ALLE op-hun-achterpoten-lopers…?

Oorlogsfoto

Op de achterzijde van de zwart-witfoto staat een handgeschreven datum: 25.3.1940. De jongen op de foto is een jaar of 10, schat ik. Hij heeft zich in het veel te grote uniform van zijn vader gehesen. Het feldgrau van de Wehrmacht.
Het joch kijkt vrolijk en ondeugend in de lens. Hij is vast gefotografeerd door zijn vader, want vadertrots is van overal en van alle tijden.
Het kiekje bleef waarschijnlijk jarenlang verborgen in het familiealbum dat de zoon had geërfd. Of een zus van de jongen, omdat haar broer kort voor het eind van de oorlog gesneuveld was.
Wellicht heeft ze heel af en toe nog eens stiekem naar zijn foto gekeken. En hartgrondig gevloekt. Scheiss Hitler!

Zangkoor

Het plaatselijk zangkoor waarvan mijn lief al sinds jaar en dag lid is, heeft een nieuwe dirigent. Het is effe wennen. Het is een vreemde kwiebus. Streng gelovig bovendien.
Vorige week heeft hij in een onbewaakt moment gezellig koffie zitten drinken met twee van de drie bestuursleden. Bij de daaropvolgende repetitie deelde hij het zangkoor doodleuk mee dat ze voortaan vaker kerkliedjes gaan zingen.
En tussen de regels door maakte hij ook duidelijk dat de muziekcommissie, die tot dan toe nieuwe liedjes had uitgekozen, uit haar functie was ontheven.
Nu is het zangkoor altijd een leukeliedjeszangkoor geweest en geen kerkzangkoor. En was mijn lief een gepassioneerd en geestdriftig lid van de muziekcommissie. Dus u zult begrijpen: dit betekent oorlog!

Buurman (2)

Buurman heeft een ongelukje gehad met zijn racefiets. Een auto remde plots en hij probeerde dat voorbeeld te volgen, maar slaagde daar slechts ten dele in. De meneer van de ambulance belde buurvrouw 2. Hij zou de gewonde naar het ziekenhuis vervoeren.
Buurvrouw 2 schrok zich een hoedje. Buurman was aanspreekbaar, en best bereid haar even te woord te staan.
“Ben gevallen, schat. Maar heb alleen wat schaafwonden. Verder niets aan de hand, hoor.”
Een understatement vanjewelste. Buurman heeft een zware hersenschudding, twee gekneusde ribben en een gebroken vinger. Van het telefoongesprek kan hij zich niets meer herinneren.
Vroeger, ten tijde van buurvrouw 1, ging buurman vissen en verzamelde hij postzegels. Maar buurvrouw 2 heeft zijn levensintensiteit drastisch opgeschroefd.

Buurman

Buurman is vorig jaar gescheiden. Buurvrouw trok het niet meer. Ze is weggelopen. Tot voor kort had buurman daar gemengde gevoelens over. Maar nu is daar buurvrouw 2. Een jong, kek ding met ambities: Buurman wordt opnieuw uitgevonden. Tegen wil en dank. Hij komt daar even van uitblazen.
Buurvrouw 2 heeft zijn pantoffels weggegooid en nieuwe, hippe kleren voor hem gekocht. Hij moet nu zitten bij het plassen. En bij het smeren van zijn boterhammen mag hij een teveel aan halvarine niet langer terug doen in het kuipje.
Aan het eind van zijn verhaal kijkt buurman vermoeid en verloren in zijn koffie. Ik weet zeker dat zijn gedachten stiekem bij buurvrouw 1 vertoeven. Die Gedanken sind frei

Gebluste lust

“Ze was niet de eerste met wie ik het deed en ik niet die van haar,” zegt de oude man naast de vrouw in de kist. “Maar zij leerde mij hoe je er met zijn tweeën plezier aan kunt beleven.”
Hij kijkt me vorsend aan, of ik niet gechoqueerd ben.
“De eerste keer stond ze naakt voor me en rukte de kleren van mijn lijf. Vervolgens moest ik op het bed gaan liggen en bereed ze mij als een veldheer zijn ros, terwijl die donkere ogen op haar zwaaiende borsten mij onafgebroken aankeken.
In de loop der jaren werd het allemaal veel minder intens. En uiteindelijk lagen we gewoon nog lepeltje-lepeltje in bed. En dat was ook goed.”