Nog effe

De ramen in het zorghuis kunnen slechts op een kiertje open. Ma zou er eens knetterdepressief een eind aan willen maken. Of de kleinkinderen iets te enthousiast uitzwaaien. “Tot de volgende kee- OEPS!!”
Maar de tijd van doelbewust zaken ondernemen ligt inmiddels ver achter haar. Ze kijkt apathisch voor zich uit en cirkelt wezenloos in een baan om de aarde. Het contact is verbroken.This is Ground Control to Major Tom. Can you hear me, Major Tom? Can you hear me, Major Tom…?
Ik hoop niet dat het nog lang duurt. Alleen haar broze, geknakte lijfje is nog hier. Het leven is niet geworden wat ze ervan verwacht had. Maar daar kunnen we nu niets meer aan veranderen.

Schade

De storm van donderdag 18 januari heeft de tuinschutting omver geblazen. Iedereen kan naar binnen kijken. De opstalverzekering vergoedt hopelijk de schade.
Een gewiekste jonge klusjesman maakt een offerte van ruim zesduizend euro. Hij denkt dat ik de verzekeringsmaatschappij een poot wil uitdraaien en wil daarvan meeprofiteren.
“Honderd werkuren zal de verzekering nooit accepteren,” mail ik terug.
Een tweede klusjesman doet het voor minder dan vierduizend euro. Het is een stugge, vierkante bouwvakker. Hij heeft één dag nodig voor de klus.
“Maar het beton waarin de palen komen moet al een dag drogen,” zeg ik.
“Sneldrogend beton,” antwoordt de bouwvakker. Zijn offerte gaat naar de verzekering.
De meneer van de verzekering antwoordt dat hij een schade-expert langs zal sturen.

Kiezen

Toen de blauwe en de rode dubbel verzamelelpee van The Beatles in 1973 werden uitgebracht was ik dertien. Onder invloed van mijn oudere broers was ik fan geworden. Zij hadden al weer nieuwe idolen.
In de Studio, de televisiegids van de KRO en mijn ouders, werden alle nummers van beide elpees opgenoemd. Wekenlang heb ik gedubd. Ik had slechts geld voor één van de twee.
De liedjes die ik al met onze Philips bandrecorder had opgenomen van de Arbeidsvitaminen op de radio streepte ik door op het uitgeknipte lijstje. En ofschoon ik meer hield van hun werk uit de eerste periode (de rode lp), kocht ik uiteindelijk de blauwe.
U zult vast nog geen vijf titels kunnen opnoemen. Ach.

Het naadje van de kous

Broer 2 meldt via WhatsApp dat de huisarts bij ma is geweest. “Hij wil geen pijnstiller geven, uit angst dat ze dan helemaal niet meer eet. Ze heeft hem beloofd dat ze wat meer gaat eten. Zuster Esther was erbij.”
Broer 3 belt naar het zorghuis voor meer informatie en spreekt met zuster Esther. De huisarts had ma de keuze gegeven: een pilletje tegen de pijn, maar dat zou haar eetlust verder doen afnemen en dan zou ze sneller bij pa zijn, of geen pilletje, maar wel beter eten om aan te sterken.
Ze had voor het laatste gekozen. Ze vindt zichzelf nog te jong om te sterven. En pa kan nog wel even wachten.

Appelmoes

Ma blijkt gevallen te zijn. Mijn zus kwam daar achter toen ze met een zuster sprak. Als ik in de WhatsApp-groep informeer of iemand daar meer van weet, zegt broer 2 dat het een klein ongelukje betrof. Het was niet gemeld omdat hij geen paniek wilde veroorzaken. Als ik zeg dat ik het een volgende keer toch graag zou willen weten, reageert hij vinnig met:
“Wat doe je dan?”
Hij bedoelt te zeggen dat HIJ elke dag in het zorghuis is en ik zelden. Lul. Mijn relatie met ma is niet je dat. Het is een kille, gevoelsarme vrouw, die daarmee datzelfde oproept bij mij. Ze eet nu nog enkel appelmoes en bouillon en weegt nog maar 42 kilo.

Kedeng kedeng

Het is een frisse zaterdagochtend begin januari. Mijn lief en ik zijn op weg naar Amsterdam. We hebben bij de BankGiro Loterij twee kaartjes gewonnen voor een nieuwjaarsconcert met Nederlandse artiesten. In Carré, vanmiddag om drie uur.
Bij de Spoordeelwinkel heeft mijn lief voordelige dagretourtjes gekocht. Inclusief een bon voor een fastfood restaurant op Amsterdam Centraal. En voor enkele euri méér reizen we zelfs eerste klas. Het kan niet op.
Maar bij Zaltbommel staan we stil. Even verderop is iemand voor een trein gesprongen. We moeten terug naar Den Bosch en omrijden. De koffiejuffrouw vertelt dat onze machinist behoorlijk is aangeslagen. Op het moment van de aanrijding had hij contact met de machinist van die andere trein.
Klotebaan.

Klusje

We brengen het wijkkrantje rond in een deel van de wijk om inkomsten te generen voor het zangkoor van mijn lief. In het donker verspreiden we 180 exemplaren. Andere leden doen de rest van de wijk.
Ik doe mijn kant, mijn lief de overkant. Brievenbussen in alle soorten en maten. Van hele gewone, tot hele bekakte. Van heel toegankelijke, tot onbenaderbare en introverte. Soms ruik je wat er gekookt wordt. Soms blaft een hond naar het krantje. Bij wie thuis is staat de televisie aan en/of de computer. Een kat op de vensterbank kijkt onbewogen naar de passerende vreemdeling.
Na drie kwartier zijn we weer thuis en gaat mijn lief koken.
We hebben het zo slecht nog niet.

Bidprentje (6)

Mijn lief heeft de kerstboom vandaag afgetuigd. De piek, de ballen en de engeltjes voorzichtig ingepakt en weer opgeborgen op de zolder. De boom wordt vrijdag opgehaald. Het is weer voorbij. Ik kijk nu al uit naar de volgende kerst.
Ma zal er dan niet meer zijn. Ze eet bijna niets meer. Ze reageert nog nauwelijks op wat er tegen haar gezegd wordt. Het hoeft van haar niet meer. Haar tijd zit erop. Het is welletjes geweest. Ze zit te wachten op het moment dat ze wordt opgehaald. In gedachten is ze al vertrokken.
Dag ma. Ga maar. Als moeder stelde je weinig voor. De ik in jou was te sterk.
Denk niet dat ik je ga missen.

Senior belhamel

Broer 2 is recalcitrant vandaag. Hij is 62, weduwnaar, vroegtijdig gestopt met werken, heeft een onzindelijk hondje dat plast op het parket en hij bezoekt dagelijks zijn en mijn moeder in het verzorgingstehuis, omdat hij niet veel anders om handen heeft.
Als ma weer eens weigert te eten, dwingt hij haar met zachte drang etenswaar te nuttigen. ‘Voe- ren’ noemt hij dat in de WhatsApp-groep waarin de kinderen communiceren over ma. Zuslief ergert zich daaraan. Ze schrijft dat je mensen ‘te eten geeft’ en dieren ‘voert’. Broer zegt het niet te begrijpen en is zich van geen kwaad bewust. Ik vermoed dat hij de kluit belazert, om zuslief te stangen. Je moet toch wat, als je je verveelt.

Bidprentje (5)

Voetballen deed ik op straat voor ons huis met de buurjongen. Gewoon met de schoenen waarmee ik naar school ging. Met vijf kinderen was er slechts geld voor één paar schoenen per kind. Waren die schoenen versleten, stuurde ma mij naar boven, naar de badkamer. Daar stond onder het bidet, achter een gordijntje, een grote doos met afgedragen schoenen van de oudere kinderen.
Eén keer had ik pech en werd ik op school meedogenloos uitgelachen om de oude laarzen van mijn grote zus die ik droeg. Dat was nog pijnlijker dan de jaarlijks terugkerende vernedering dat ik de afdruk van de klassenfoto mee terug naar school moest nemen omdat daar geen geld voor was.
Armoede is vaak wreed.

Bidprentje (4)

Doordeweeks, en heel vroeger ook op de zaterdagochtend, stapte pa ’s ochtends om tien voor acht op de fiets naar zijn werk op kantoor bij Philips. Ma lag dan nog in bed te soezen. Zij was huisvrouw en hoefde nergens naar toe.
Of ma de kinderen vanuit bed sommeerde op te staan, of dat wij dat uit eigen beweging deden, weet ik niet meer. Maar zodra ik was opgestaan, liep ik naar haar slaapkamer. Vanuit haar bed gaf zij dan opdracht de kleerkast te openen waarin elk van de vijf kinderen een eigen plank had met kleren. Gedecideerd wees ze aan welke kleren je moest pakken en aantrekken.
Voor mij was dat de gewoonste zaak van de wereld.

Veroordeeld

Twee jaar heeft Freek gekregen. Met goed gedrag komt hij misschien met 16 maanden al vrij.
Een week na de uitspraak verhuisde Els naar Rotterdam. Daar kent niemand haar. In het dorp werd zij nagewezen en als ze de Spar binnenliep verstomden meteen alle gesprekken.
Ze is nog één keer naar een verjaarsfeestje geweest, van schoonzus Trees. Daar werd niemand vrolijk van.
Op het werk luncht ze op haar kantoor, en drinkt zij koffie uit haar thermoskan.
Elke zaterdagochtend doet zij de boodschappen en pakt ze de trein van 11.59 uur om Freek te bezoeken. Hij wil niet dat zij dat doet. Hij moet huilen als hij haar ziet.
“Sorry,” zegt zij dan, “maar ik mis je zo.” 

Bidprentje (3)

Ik kan niet koken en ik wil ook niet koken. Mijn lief gelukkig wel. Toch meen ik mij vaag te herinneren dat mijn moeder mij ooit, als kleine jongen, geleerd heeft vlees te braden.
Ze kruidde het vlees aan beide zijden met wat zout en peper, zette de braadpan op een grote pit van het fornuis, stak het vuur aan, op hoog, en mikte een half pakje Blue Band in de pan. Zodra dat gesmolten en het schuim bijna weggetrokken was, legde ma het vlees voorzichtig in de pan. Ze bakte het aan beide zijden even aan, zette het vuur lager en legde de deksel op de pan om het vlees te laten garen.
Dat was alles.

Daten (1)

“En?” vraag ik. “Hoe is het gegaan?”
“De beste date ever,” zegt mijn zoon.
We hebben er de afgelopen maanden vaak over gesproken. Hij heeft zijn leven aardig op de rails. Maar wat nog ontbreekt is een vrouw. Hij weet wat hij zoekt. Hij weet waaraan ze moet voldoen. Hij heeft al eerder relaties gehad. Een vrouw met een rugzak vol problemen, dat wil hij niet meer. Daarnaast moet ze intelligent zijn. En humor hebben. En van dezelfde muziek houden. En eerlijk zijn. En monogaam; vooral dat. En als hij met vrienden uit gaat, moet ze daar niet over zeuren. En kinderen…. Nog niet. De nacht is nog jong.
Die van gisteravond zou het wel eens kunnen zijn.

Apartheid

Vroeger stond er een dikke laag olie bovenop de pindakaas. Na het openen van een nieuwe pot was je wel even bezig om die olie te vermengen met de fijngemalen pinda’s. Was je vervolgens door omstandigheden enige tijd verhinderd om de rest van de inhoud van die pot te consumeren, had de olie zich weer gescheiden van de pindakaas en kon je opnieuw beginnen.
En zelfs als regelmatige consument kwam het voor dat de olie vroegtijdig opraakte. Dit kon dan – als je niet verduiveld goed oppaste – uiteindelijk leiden tot uitdroging en zelfs terminale onsmeerbaarheid.
Dat de pindakaas van nu niet langer hierdoor bedreigd wordt, dat noem ik pas vooruitgang. Dus kom mij niet aanzetten met: vroeger was alles beter.

Bidprentje (2)

Nu dat mijn moeder hard op weg is naar de uitgang van het leven, begin ik in gedachten al te worstelen met de tekst voor haar bidprentje. Deze wordt moeilijker dan die van mijn vader. De valkuil is dieper. De meningen over haar moederschap lopen namelijk uiteen.
“Hoed je ervoor, schat,” adviseert mijn lief ongevraagd, “het laatste dunne lijntje met je oudere broers onbedoeld te verbrekenen.” Ze doelt erop dat broer 1 het bloed van zijn moeder kan drinken, en dat broer 2 daarentegen geen kwaad woord over haar wil horen.
Ik weet niet of ik het risico moet nemen mijn vingers hieraan te branden. Maar ik kan ook geen nee zeggen als ik gevraagd word voor deze klus. 

Bidprentje

Een jaar geleden schreef ik het bidprentje van mijn vader. Een tekst die zijn persoon en zijn leven in grote lijnen weerspiegelde en waarin niemand vergeten werd. Een tekst acceptabel voor iedereen.
 Ik schreef over een leven dat bruusk onderbroken werd door een gedwongen verblijf in Nazi-Duitsland, in het kader van de Arbeitseinsatz. Over hoe hij aan het eind van de oorlog mijn moeder ontmoette, met wie hij in 1951 in het huwelijk trad. Slechts tussen de regels door viel te lezen dat hij er als vader van vijf kinderen vervolgens weinig van bakte.
 Van huis uit was mijn vader een meubelmaker. Daarom prees ik hem als ‘de laatste van zijn generatie van handwerkers, de laatste zwaluwstaartverbindingsmaker.’

Inslapen

De japanners hebben er een uitdrukking voor: Hang Téh, wat zoveel betekent als Weg naar de Slaap.Ieder mens heeft zijn eigen Hang Téh. In mijn geval houdt dit in dat ik vijf minuten op mijn rug lig, vier minuten op mijn rechterzij, om vervolgens op mijn linkerzij in slaap te vallen.
Ook wanneer je doodmoe bent, mag je niet afwijken van je Hang Téh. Er zijn geen short cuts of sluiproutes naar de slaap. Het is de vaste procedure, of zo u wilt het ritueel, dat leidt tot de slaap.
Het werkt altijd. Tenzij ik te veel gedronken of gegeten heb. De zeldzame keren dat ik er niet in slaag in te slapen, verzin ik dit soort onzin.

Pré-pensionado’s

De drukke kerstdagen zijn voorbij en we zijn inmiddels ook van jaar verwisseld. De rest van ons kerstreces vieren we in alle rust thuis. Met een laatste oliebol of een zelfgebakken wafeltje bij de koffie.
Ik zwerf rond over internet en schrijf mijn stukjes. Onderwijl kijkt mijn lief naar Utopia. Met de koptelefoon op haar hoofd, dan hoef ik niet mee te luisteren naar hoe dat volk elkaar het leven zuur maakt.
Gisteren zijn we even de deur uit geweest. Naar Intratuin. Om cadeaubonnen te verzilveren en kerstspullen met veertig procent korting te kopen voor de volgende kerst. Regeren en rondkomen is vooruitzien.
Het leven zonder werk is kalm, gezapig en heerlijk onbekommerd. Man könnte sich daran gewöhnen.

Treurig

Als ik arriveer zijn mijn jongere broer en zijn echtgenoot al druk bezig met mijn moeder. Ze heb-ben haar van de eetzaal teruggezeuld naar haar kamer. Ze had niets willen eten, maar ondanks haar lege maag had ze toch overgegeven, aldus het personeel.
Het is Tweede Kerstdag. Mijn bezoek valt niet toevallig samen met dat van mijn broer. Want ma is de laatste tijd nogal in zichzelf gekeerd. Bovendien werken mijn broer en zijn echtgenoot dage-lijks met bejaarden. Zij zijn niet gauw onder de indruk van substanties die het menselijk lichaam op ongewenste momenten verlaten.
Onze vragen lijken nauwelijks tot haar door te dringen. De malaise wordt toegeschreven aan buikgriep. Ik denk dat ze gewoon niet langer leven wil.

Vergane glorie

Kerstavond verloopt bij ons al jaren volgens hetzelfde stramien: Mijn lief en haar zangkoor zingen tijdens de mis van acht uur, mijn zoon en ik zitten in de kerk, en na de dienst kijken we thuis naar de All You Need is Love kerstspecial en eten daarbij saucijzenbroodjes. Afgezien van uitvaarten en trouwpartijen komen we de rest van het jaar niet in de kerk. Het merendeel van de dorpsbewo-ners evenmin.
Vandaag herhaalde de VARA een televisieshow van Robert Long en Leen Jongewaard. Ik was het haast vergeten, maar er werd in die tijd nog hard en gemeen geschopt tegen de kerk. Dat is tegenwoordig niet meer nodig. Het gros der gelovigen in onze contreien is inmiddels voorgoed uitgeloofd. 

Filmklassieker

Een mondharmonica hangt aan een dun koordje om de nek van de vreemdeling. Het is bloedheet als de trein halt houdt bij een klein station, ergens in het Wilde Westen. Drie ongure sujetten wachten de vreemdeling op. Die met een scheel oog lijkt de baas van het stel.
“Hebben jullie een paard voor mij meegenomen?” vraagt de vreemdeling, nadat hij is uitgestapt.
“Oeps,” reageert de loensende boef schalks. “We hebben er kennelijk eentje te weinig.”
De vreemdeling vertrekt geen spier van zijn gezicht.
“Nee, hoor,” antwoordt hij kalm. “Twee te veel.”
De grijnslach besterft de schele schurk op het gezicht. Razendsnel trekken hij en zijn maats hun wapens. Maar de man met de mondharmonica is sneller, en krijgt gelijk.

Complot

Terwijl ik in het kleedhokje een prettig afgeprijsde broek pas, hoor ik hoe twee vrouwen een man een nieuwe jas proberen aan te praten. De een zal de dochter zijn, de ander de verkoopster. De stem van de man klinkt AOW-gerechtigd. Als ik het hokje uitstap, zie ik hem voor de spiegel staan.
“Hij staat u heel sportief,” zegt de verkoopster stellig. De dochter knikt driftig.
De jas is ordi glimmend, de man twintig jaar te oud.
Terwijl zijn dochter en de verkoopster het met elkaar eens zijn, kruist de blik van de oude man de mijne. Hij glimlacht. Hij weet heus wel dat hij voor lul gaat lopen in die nieuwe jas. Maar hij zit daar niet mee.

Voorbij

In de jaren tachtig maakten mijn liefs oudste zus en haar man deel uit van een vriendenkring van vier echtparen. Elk stel bezat een boot en de vriendschap werd elk weekend gevierd op het water.
Voor de winter gingen ze op zoek naar een alternatief. Dat werd een groot, oud huis in een dorp in de Belgische Ardennen. Een Villa Kakelbont voor volwassenen. Elk echtpaar had er zijn eigen appartement. Ook mijn lief en ik maakten daar menig prettige herinnering.
Maar de jaren verstreken en langzaam viel de vriendenkring uiteen. Na de dood van haar man was ook voor de zus van mijn lief de lol er vanaf. Vorige maand is het huis verkocht. Want alles gaat eens voorbij.

Zielig

Mijn lief slaapt van nature al beroerd. Maar nog beroerder sinds ze bij het douchen is uitgegleden en enkele ribben heeft gekneusd. Ze steunt en kreunt telkens als ze haar getormenteerde lijf be-weegt. Ik mag haar voorzichtig vasthouden, maar vrijen kan ik voorlopig wel vergeten.
Slapen kan ik altijd en overal, daar mag ik niet over klagen. Mijn lief ligt daarentegen ongewild de halve nacht te lezen bij het schemerlicht van haar e-reader.
Het is vijf uur, Paris se reveille, terwijl mijn lief in het donker voorzichtig naar beneden is ge-kreund. Ze zal twee tabletjes paracetamol en een tabletje diclofenac hebben geslikt en nu naar De Luizenmoeder zitten kijken. Ik voel meelij en draai me nog eens om.

Spel

In de winkel die stoelen en banken verkoopt kun je een kanon afschieten. Gisteren golden er nog de Sinterklaas-aanbiedingen, maar ook toen is het er niet druk geweest. Daarom kan de verkoper vandaag nog een mooie prijs maken voor een bank die mijn zoon wil kopen. Desgevraagd verklaart deze dat hij maximaal 500 euro wil uitgeven. We zoeken en vinden een bank die hij mooi vindt. Die kost echter 867 euro. De verkoper doet de suggestie dat ik bijlap. Ik reageer niet. Mijn zoon twijfelt. Het is veel geld. Ik doe hem het voorstel er een nachtje over te slapen. Dat werkt. De verkoper gaat nog eens met zijn baas praten. Mijn zoon krijgt de bank voor 649 euro.

Tattoo 4 you

Mijn lief heeft een uitgesproken hekel aan tatoeages. Ze heeft hemel en aarde bewogen om onze zoon te doen afzien van zijn voornemen er eentje te laten zetten. Ze sprak van zelfverminking en kandidaat-werkgevers die hem links zouden laten liggen.
Op een zaterdagochtend breng ik hem naar een tattoo artist met goeie online reviews. Het duurt uren, het doet pijn, maar hij houdt zich groot. Op de weg terug vraagt hij of ik het resultaat mooi vind.
“Jazeker,” antwoord ik. “Maar zorg ervoor dat je moeder hem niet hoeft te zien.”
Hij knikt schuldbewust.
Mijn lief wil niet weten hoe het gegaan is. Het onderwerp is een no fly zone geworden, ter grootte van een rechter bovenarm.

Onbezorgd vertier

Mijn lief maakt vandaag een uitstapje. Een dag lang is ze vrij en zorgeloos en mag ze even verge-ten wat ze wil vergeten. Ze bezoekt de Margriet Fair, een jaarlijks evenement voor Margriet leze-ressen, al zullen die van de Libelle ongetwijfeld ook welkom zijn.
Ze gaat er met drie vriendinnen van het zangkoor naar toe. Een harmonieus kwartet van praters, luisteraars en kijkers. Een dag lang sjokken langs eindeloze rijen kraampjes met dingen waarvan producenten vinden dat vrouwen absoluut niet zonder kunnen. En daarnaast zijn er ook kleine, lekkere, gratis uitprobeerhapjes en uitprobeerdrankjes in overvloed. De hemel op aarde voor vrouwen, zolang het duurt. En wellicht komt Gerard Joling dit jaar ook weer zingen. Of Nick en Simon.

Van praatjesmakers en zwijgers

Op een zondagochtend bezoek ik mijn oude moedertje in het zorghuis. Ze moet lang nadenken voordat ze weer weet wie ik ben. Een jonge verpleegster heeft haar zonet gewassen en aange-kleed en neemt de naar plas stinkende vuile was mee. Een dankjewel kan er bij mijn moeder niet af. Verpleegsters zijn personeel.
Ik ben geen prater. Zij wel, maar vandaag niet. Gisteren heeft ze met mijn oudste broer naar de Sinterklaasintocht op televisie gekeken. Hij was druk, zegt ze. Ze vindt hem een praatjesmaker. Net zoals de pater die de uitvaart van pa leidde.
In de WhatsApp-groep meldt een andere broer later op de dag dat ma mij maar stil vond. Het is ook nooit goed.

Italiaan

We gaan lunchen in een nieuw, hip Italiaans restaurant. In een voormalig winkelpand in de oude binnenstad van Maastricht. We zijn net op tijd. Het stroomt vol met een boel lokale Italianen – die na binnenkomst de deur niet achter zich sluiten, want in Italië hoeft dat ook niet – en ander hongerig volk.
De eigenaar is een jonge, bebaarde en stugge Italiaan, die nauwelijks Nederlands spreekt. Eten en drinken is hier de taal. Maar als we buongiorno, si of prego zeggen, glimlacht hij bereidwillig.
De meubels zijn uitgesproken kringloopdivers. En voor het toilet zonder fonteintje moet je door de wanordelijke, groezelige keuken lopen, waar de kinderen van het personeel op de grond spelen. Maar het eten is er overheerlijk. Grazie.