Of mijn broertje in de jaren zeventig al wist dat hij van de herenliefde was, weet ik niet meer. Wel dat hij gek was op ABBA. Van de vijf kinderen woonden alleen hij en ik nog thuis, dus ik raakte ook besmet met de Zweedse vrolijkheid. Elke nieuwe LP vond zijn weg naar de platenspeler van mijn broer op de zolder en werd dag in dag uit gedraaid. Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat. Of Agnetha zong of Annefrida, deed er niet toe.
Sinds vorige week heb ik een nieuwe collega. Een jonge gast, met wie ik het kantoor en de radio met ouwe gouwen deel. Hij zei gisteren dat hij niet van ABBA hield. Jammer dan.
Maand: juli 2019
Vals
Frits, de oom van collega Trees, is overleden. Hij was oud, ziek en had niemand buiten Trees. Daarom heeft zij alles geërfd. Inclusief Rakker, de hond van Frits.
Maar Frits was heel slecht ter been en niet in staat Rakker uit te laten. Daarom droeg Rakker altijd een luier, was hij boos op de hele wereld en agressief naar iedereen behalve Frits.
De buren vonden Frits en waarschuwden Trees. Toen zij hardop overwoog de oude, valse hond te laten inslapen boden de buren aan voor hem te zorgen. Rakker verhuisde en Trees hield haar hart vast, want de buren hebben vier kleine kinderen.
Maar inmiddels is Rakker herboren en vechten de kinderen om wie hem mag uitlaten. Mooi hè.
Koppelen
Nooit eerder heb ik overwogen twee mensen aan elkaar te koppelen. Maar A. – een nicht van mijn lief – sukkelt sinds haar echtscheiding met relaties die maar niet willen beklijven.
Zij is een sterke persoonlijkheid, intelligent, zelfbewust, onafhankelijk, zelfverzekerd, heeft humor en is lief en warm. En alleen.
Collega H. beschikt over dezelfde kwaliteiten. En wordt binnenkort weer single. Ook hij sukkelt met niet beklijvende relaties. Zijn huidige vriendin woont in Groningen en heeft daar een prima baan die ze voor geen goud wil opgeven. H. woont in Maastricht en ook hij de zijne niet. Dus dat biedt mogelijkheden voor een match made in heaven.
Ik heb A. daarnet even gebeld. Ze rolde over de vloer van het lachen.
Lood om oud ijzer
Na het zien van een televisiereportage over cremeren – zo’n dertig jaar geleden – legde mijn vader op papier vast dat hij dat wilde, na zijn dood. Toen hij stierf was het dan ook duidelijk wat er geregeld moest worden. Zo leek het. Maar broer 1 was het er niet mee eens. Pa was een goede katholiek geweest en een goede katholiek wordt begraven, niet gecremeerd.
Hij bracht het overtuigend en omdat het mij niet uitmaakte, wilde ik hem best zijn zin geven. Broer 3 en zuslief deelden mijn opvatting. Broer 2 zette echter de hakken in het zand. Dus is pa gecremeerd en wil broer 1 definitief niets meer met de rest te maken hebben.
Miskend
In augustus 2016 verhuisden mijn ouders naar een zorghuis en verlieten het huis dat zij in augustus 1960 hadden betrokken. Afgesproken was dat ik de overgebleven inboedel zou laten afvoeren. Enkele dagen later legde ik een prijsopgave ter goedkeuring voor aan de andere kinderen.
De oudste broer – kunstenaar en huisman, met een vrouw die de kost won – deed een tegenvoorstel: Hij zou zelf alle spullen afvoeren, voor de helft van de prijs. Zijn aanbod werd neergesabeld: Geld verdienen aan je ouders was niet koosjer. Boos verweet hij ons hem de bijverdienste niet te gunnen. Hij wilde niets meer met ons te maken hebben.
Mijn jongste broer en ik haalden daarop het huis leeg. Voor nop, uiteraard.
Verzuim
De dood van mijn vader deed mij niet bijster veel. Misschien wel niets. Van het vaderschap bakte hij niet veel. Hij leerde mij een fietsband plakken, een plank zagen en een schuifmaat aflezen. Niet meer en niet minder.
In zijn vrije tijd was hij veel van huis, want actief in het verenigingsleven. Hij is niet één keer naar een voetbalwedstrijd van mij komen kijken. En bij terugkeer van een scoutingkamp moest ik de plunjezak in mijn eentje naar huis zeulen.
Op zijn laatste dag zat mijn zwager aan mijn vaders sterfbed. Toen ik mijn hoofd om de deur stak stond deze onmiddellijk op en bood mij zijn plaats aan. Ik schudde van nee en bedankte hem vriendelijk.
Onbegrepen
Het meisje uit mijn klas is pas verhuisd. We fietsen naar haar oude huis, dat inmiddels is gesloopt. De kelder is nog intact. Er ligt een matras op de grond met schoon beddengoed. Het meisje kijkt mij verwachtingsvol aan. Ik begrijp haar niet en loop de kelder weer uit. Het tongzoenen dat ze mij de week tevoren ongevraagd leerde krijgt geen vervolg. Geen van ons beiden verliest die dag zijn maagdelijkheid.
Kort daarna krijgt ze verkering met een andere jongen. Die begrijpt wel wat zij van hem wilt. Die is geiler van begrip. Had ze nou haar bloesje losgeknoopt. Of haar hand langzaam over mijn kruis laten glijden. Dan had ik het waarschijnlijk wel begrepen. Denk ik.
Goelag
Ze maken mijn lief kapot. Op haar werk. Stukje voor stukje, beetje bij beetje. Uitsluitend knoe-perharde zielen en verkilde harten overleven daar. En daar is het er vergeven van. Vluchten is geen optie. We hebben het geld nodig.
“Heeft u stress, mevrouw?” vraagt haar fysiotherapeut, en knijpt. “Uw nekspieren zijn enorm gespannen.”
Een traan rolt over haar wang. Er huizen honderdduizendmiljoen tranen in mijn lief. De fysiothe-rapeut zal denken dat hij die ene op zijn geweten heeft. Zodra ook die andere tranen zich een weg naar buiten banen, is het breekpunt bereikt. Dat moment probeert mijn lief zo lang mogelijk uit te stellen. Tot dan doet ze net alsof er niets aan de hand is.
Schweinerei
Op de HAVO heb ik een vrijetijdsbaantje als pompbediende op een tankstation. Ik verdien vijf gulden per uur, zwart. De klanten zijn – zo dicht bij de grens – vooral Duits, omdat de sigaretten en de dieselolie bij ons minder kosten.
Zeventien ben ik als op een herfstige zondagmiddag een morsig Duits mannetje met de handen in de zakken naast mij staat terwijl ik de olie peil van zijn oude Mercedes diesel. Als ik de stok er niet in één beweging weer in krijg, zegt hij droog: “Wären da Haare drauf, ging das viel besser, nicht?“
Ik glimlach schaapachtig, terwijl het vieze mannetje vet grijnst. Hij geeft niets extra’s bij het afrekenen. Hij zal menen dat de vunzigheid zijn fooi was.
Stress
De wasdroger is stuk. Een monteur repareert hem en vertrekt. Een uur later is het ding weer stuk. Ik bel en vraag of de monteur morgen terug komt. Zijn agenda zit vol. Dat wordt volgende week.
“Okee,” zeg ik.
Mijn lief is woest. Ik wijs haar voorzichtig op het bestaan van een droogrek. Ik ben best bereid dat ding uit de fietsenschuur te halen en in de achterkamer op te zetten. Ik ben de beroerdste niet. En wasknijpers hebben we ook nog wel ergens.
Mijn lief explodeert. Ik zoek een goed heenkomen. Ik doe nooit de was. Ik ben enkel een eindgebruiker die de omvang van deze catastrofe niet bevat. Dat is de autist in mij, denk ik.
Adel
Vandaag heb ik eindelijk de vriend van mijn lief ontmoet. Ik begrijp nu wat ze in hem ziet. Sterker nog: Ik ben zelf ook een klein beetje verliefd geworden.
Hij woont in een groot, vrijstaand huis, omringd door een goed onderhouden gazon. Vanochtend liepen wij daar toevallig langs. Drie grote honden lagen te doezelen op het gras. Mijn lief riep één van hen naar zich toe. Een slanke, elegante Russische Barzoi rende in soepele draf naar het tuinhek, duwde stilzwijgend zijn lange, smalle kop tussen de spijlen door en vlijde zich innig tevreden tegen de hand van mijn lief.
De twee andere honden keken elkaar verbaasd aan. What the fuck? We zouden toch lelijk doen tegen ALLE op-hun-achterpoten-lopers…?
Oorlogsfoto
Op de achterzijde van de zwart-witfoto staat een handgeschreven datum: 25.3.1940. De jongen op de foto is een jaar of 10, schat ik. Hij heeft zich in het veel te grote uniform van zijn vader gehesen. Het feldgrau van de Wehrmacht.
Het joch kijkt vrolijk en ondeugend in de lens. Hij is vast gefotografeerd door zijn vader, want vadertrots is van overal en van alle tijden.
Het kiekje bleef waarschijnlijk jarenlang verborgen in het familiealbum dat de zoon had geërfd. Of een zus van de jongen, omdat haar broer kort voor het eind van de oorlog gesneuveld was.
Wellicht heeft ze heel af en toe nog eens stiekem naar zijn foto gekeken. En hartgrondig gevloekt. Scheiss Hitler!
Zangkoor
Het plaatselijk zangkoor waarvan mijn lief al sinds jaar en dag lid is, heeft een nieuwe dirigent. Het is effe wennen. Het is een vreemde kwiebus. Streng gelovig bovendien.
Vorige week heeft hij in een onbewaakt moment gezellig koffie zitten drinken met twee van de drie bestuursleden. Bij de daaropvolgende repetitie deelde hij het zangkoor doodleuk mee dat ze voortaan vaker kerkliedjes gaan zingen.
En tussen de regels door maakte hij ook duidelijk dat de muziekcommissie, die tot dan toe nieuwe liedjes had uitgekozen, uit haar functie was ontheven.
Nu is het zangkoor altijd een leukeliedjeszangkoor geweest en geen kerkzangkoor. En was mijn lief een gepassioneerd en geestdriftig lid van de muziekcommissie. Dus u zult begrijpen: dit betekent oorlog!
Buurman (2)
Buurman heeft een ongelukje gehad met zijn racefiets. Een auto remde plots en hij probeerde dat voorbeeld te volgen, maar slaagde daar slechts ten dele in. De meneer van de ambulance belde buurvrouw 2. Hij zou de gewonde naar het ziekenhuis vervoeren.
Buurvrouw 2 schrok zich een hoedje. Buurman was aanspreekbaar, en best bereid haar even te woord te staan.
“Ben gevallen, schat. Maar heb alleen wat schaafwonden. Verder niets aan de hand, hoor.”
Een understatement vanjewelste. Buurman heeft een zware hersenschudding, twee gekneusde ribben en een gebroken vinger. Van het telefoongesprek kan hij zich niets meer herinneren.
Vroeger, ten tijde van buurvrouw 1, ging buurman vissen en verzamelde hij postzegels. Maar buurvrouw 2 heeft zijn levensintensiteit drastisch opgeschroefd.
Buurman
Buurman is vorig jaar gescheiden. Buurvrouw trok het niet meer. Ze is weggelopen. Tot voor kort had buurman daar gemengde gevoelens over. Maar nu is daar buurvrouw 2. Een jong, kek ding met ambities: Buurman wordt opnieuw uitgevonden. Tegen wil en dank. Hij komt daar even van uitblazen.
Buurvrouw 2 heeft zijn pantoffels weggegooid en nieuwe, hippe kleren voor hem gekocht. Hij moet nu zitten bij het plassen. En bij het smeren van zijn boterhammen mag hij een teveel aan halvarine niet langer terug doen in het kuipje.
Aan het eind van zijn verhaal kijkt buurman vermoeid en verloren in zijn koffie. Ik weet zeker dat zijn gedachten stiekem bij buurvrouw 1 vertoeven. Die Gedanken sind frei.
Gebluste lust
“Ze was niet de eerste met wie ik het deed en ik niet die van haar,” zegt de oude man naast de vrouw in de kist. “Maar zij leerde mij hoe je er met zijn tweeën plezier aan kunt beleven.”
Hij kijkt me vorsend aan, of ik niet gechoqueerd ben.
“De eerste keer stond ze naakt voor me en rukte de kleren van mijn lijf. Vervolgens moest ik op het bed gaan liggen en bereed ze mij als een veldheer zijn ros, terwijl die donkere ogen op haar zwaaiende borsten mij onafgebroken aankeken.
In de loop der jaren werd het allemaal veel minder intens. En uiteindelijk lagen we gewoon nog lepeltje-lepeltje in bed. En dat was ook goed.”
Afstandsbediening
Mijn moeder heeft een joekel van een televisie op haar kamer in het zorghuis, maar weet niet hoe de afstandsbediening werkt. Die werd altijd door mijn vader gebruikt. Als mijn moeder een ander programma wilde bekijken, als ze het geluid zachter of harder wenste, of als het apparaat uit moest, dan deed mijn vader dat. Het kwam niet in hem op om haar dat te leren. Waarom ook.
Maar nu is pa dood en weet ma niet hoe ze de afstandsbediening moet gebruiken.
Gelukkig komt iemand van het personeel ’s avonds de televisie aanzetten. En als het programma is afgelopen en het nieuwe niet bevalt, staat mijn moeder op, rukt de stekker uit het stopcontact en gaat naar bed.
Ontheemd
Op het caféterras zit een buitenlands echtpaar bij een lokale mevrouw. Veertigers minstens, ouder wellicht, ongemakkelijk zeker.
De Nederlandse mevrouw spreekt hen toe, de man luistert aandachtig. Zijn vrouw staart met doffe, lege ogen in de verte.
“We vertrekken,” had hij gezegd, nadat Hassan was begraven. Als gezinshoofd was het aan hem om dit te beslissen. “Neem zoveel mee als je kunt dragen.”
Ze had een gevoel van paniek moeten onderdrukken. Hij had het gezien.
“We vertrekken,” zei hij, “voordat ik vergeet hoe mooi jij bent, zonder angst in je ogen.”
En nu zijn ze in dit vreemde, oorlogsvrije land, waar je moet kiezen tussen koud of warm water, en waar vrouwen het hoogste woord voeren.
Bizar.